Zegen

Met grote ogen keek het meisje in de deuropening me aan. Haar lange rode haar was slordig opgestoken, haar mooie gezicht zat vol sproetjes. Ze droeg een wit shirtje op een dunne lange rok en ze liep op sokken. “Hej hej”, zei ik opnieuw. “Do you speak English?” Ze knikte. “I’m a pilgrim on St Olavsleden and I am dying for a cup of coffee”.

Het had even geduurd voor ik durfde aan te bellen bij het prachtige huis aan het water. Maar mijn behoefte aan koffie was intussen groter dan mijn schroom en het eerstvolgende dorpje was nog kilometers ver weg. Bovendien had ik gelezen dat de mensen in dit deel van Zweden erg vriendelijk zijn en altijd bereid te helpen. Dus vroeg ik het: “Could you please make me a cup of coffee?”

Ik zag haar twijfel en iets van angst, of was het wrevel? Net toen ik me voorbereidde op een afwijzing, glimlachte ze. Op slag werd ze nog mooier dan ze al was. Hoe oud zou ze zijn? Twintig? Dertig? Sinds een poosje vind ik het moeilijk om de leeftijd te schatten van mensen die jonger zijn dan ik. Zij op hun beurt kijken meestal dwars door mij heen.

Maar dit meisje keek me aan en zei: “Sure, no problem!”
Ik gaf haar mijn smoezelige aluminium beker waar ik elke dag koffie in maak. Zij verdween naar de keuken en ik gluurde stiekem naar binnen, naar de enorme hoge ramen met uitzicht op het meer, naar de vloer en de zoldering van hout, naar de kussens en gordijnen in rustige kleuren…
Ha, daar was ze weer. “ Could I make a picture of you?” vroeg ik. Ze stond daar zo lief.
“Oh no, I look like a mess. A mommy-mess”, lachte ze afwerend. “Do you have a baby?” vroeg ik. “ She’s two years old”, zei ze en keek peinzend voor zich uit. Daarna lachte ze weer en vervolgde: “She’s a darling, of course. But you know, sometimes…” Ze maakte haar zin niet af. “Sometimes it’s hard being a mother, isn’t it?” zei ik. Dankbaar keek ze me aan.

“Make sure that you leave her with somebody else, every now and then”, zei ik. “So that you can go for a walk”. “Or for a run…”, zei ze zacht en keek dromerig over mijn schouder naar buiten.

Terwijl ik op een boomstam genoot van mijn koffie, besefte ik voor de zoveelste keer in deze afgelopen twee weken, hoe fijn het is om om hulp te durven vragen en het dan ook nog te krijgen. Hoe heerlijk het is om niet alles in je eentje te hoeven doen. Hoe ontroerend het is om te ervaren dat mensen bereid zijn om te zorgen voor een volstrekte vreemde. Ik ben nog nooit zo verwend als tijdens deze pelgrimstocht! In het begin maakte ik me daar een beetje zorgen over. Was het niet te makkelijk allemaal? Mijn bagage wordt vervoerd, ik hoef mijn slaapplaatsen niet zelf te regelen. Ik krijg heerlijk eten en loop voortdurend te zingen. Ben ik eigenlijk wel een echte pelgrim?

Toen las ik deze woorden achterop mijn pelgrimspaspoort; een oude Keltische zegen:

May the road rise to meet you
May the wind be always at your back
May the sun shine warm upon your face
May the rain fall soft upon your fields
And untill we meet again
May God hold you in the palm of his hand

Sindsdien neem ik het ervan!

Reacties zijn gesloten.