Tom

De weg ging nu wel heel steil omhoog. Ik zag ook al een tijdje geen St Olavskruisjes meer. Verdorie, was ik nou weer verkeerd gelopen? Ik had toch heel duidelijk een afslag naar rechts gezien, van de asfaltweg af, de heuvel op. Het was nog maar een kilometer of vijf naar Åre, een Zweedse wintersportplaats vlakbij de Noorse grens, dus mijn wandeling van vandaag zat er bijna op. Dacht ik. Het was intussen behoorlijk warm geworden, na een frisse ochtend. Ik zweette en liep te hijgen en ondertussen bleef de weg maar stijgen. Daar stond een groepje huizen, voor een ervan stond een auto. Ik belde aan. Er werd niet open gedaan. Naast de deur was een raam. Ik zag een oudere man bij een aanrecht staan, een kop koffie inschenkend. Nogmaals belde ik aan, weer tevergeefs. Even twijfelde ik, maar toen dacht ik: “Hij weet meer dan ik; hij woont hier.” Dus klopte ik op het raam. Hij schrok en keek naar buiten. Daarna glimlachte hij en kwam naar de deur.
“Hej hej”, zei ik. “Do you speak English?” “Yes, I do”, zei hij bedaard. “Ik loop de St Olavsroute, maar ik ben de weg kwijt”, zei ik. “Kunt u me helpen?” Hij krabde even op zijn hoofd. “Ik weet dat hier een pelgrimsroute loopt”, zei hij, “maar niet precies waar. Maar als je naar Åre moet, kan ik je de weg wijzen.” Hij schoot een paar klompen aan en gebaarde me hem te volgen. We passeerden een groot huis met een verwilderde voortuin en een bordje met ‘privat’. “Maar… dit is een privé-weg”, zei ik. “Ja”, antwoordde hij, met enige trots, “het is mijn weg.” Het huis was vroeger ook van hem, vertelde hij, maar hij had het verkocht. Vroeger had hij er zelf gewoond en toen verzorgde hij de tuin altijd heel goed. Een verzorgde tuin is erg belangrijk voor Zweden en dan vooral: gemaaid gras. Als je je gras niet maait, spreken ze daar schande van en buren steken elkaar de loef af met de meest geavanceerde maaimachines. Intussen liepen we een bospaadje op, dat overwoekerd was door hoog gras en wilde bloemen. “Weet u zeker dat dit de goeie weg is?” waagde ik te vragen. “Natuurlijk!” riep hij uit. “Mijn vrouw werkte vroeger in Åre en zij liep deze weg elke dag. Het is mijn weg”, zei hij nog een keer.
Ik vroeg hoe hij heette. “Ik ben Tom”, zei hij. “En hoe heet jij?”
Hij wilde weten waar ik vandaan kwam en toen ik dat vertelde, reageerde hij enthousiast. “Ah, Holland… Ik ben ooit in Holland geweest, lang geleden.” Hij staarde in de verte en vervolgde: “In 1957 liftte ik Europa door. Ik was toen twintig jaar.” Razendsnel rekende ik… 81 was hij nu dus. Dan zag hij er nog patent uit! Slank en gespierd, met lichtblauwe ogen, die scherp afstaken tegen zijn bruine huid en witte haar. Vroeger was hij vast blond geweest, een soort Rutger Hauer, stelde ik me voor. “Welk deel van Nederland heeft u gezien?” Vroeg ik. Zijn ogen begonnen te glimmen. “Ik logeerde in Amsterdam, een week lang”, vertelde hij, “bij een man die me in België een lift gaf. Hij nodigde me uit in zijn mooie, grote grachtenhuis en liet me in een week tijd bijna jullie hele land zien. Op een gegeven moment vroeg ik: ‘Waarom doe je dit? Je kent me amper.’ En toen zei hij: ‘Je bent Zweeds.’
Hij en zijn vrouw hadden honger geleden in de oorlog, vertelde zijn gastheer. ‘En toen kwam het Zweedse Rode Kruis met voedseldroppings. Telkens als die pakketten uit de lucht kwamen vallen, voelde het alsof het Kerstmis was. Dus sprak ik met mezelf af: de eerste de beste Zweed die ik na de oorlog tegenkom, die leg ik in de watten.’”
En die Zweed, dat was Tom.

Reacties zijn gesloten.