Akela

De ochtenden haat ik het meest. Als in korte tijd een hele reeks handelingen moet worden uitgevoerd, niet door mij, maar door mijn twee zoons. Aankleden, ontbijten, brood smeren, tas inpakken, tandenpoetsen, schoenen aantrekken, jas pakken en wachten op de taxi naar school. Het lijkt zo simpel, maar het levert elke ochtend weer stress en strijd op.

Vroeger werkte ik met pictogrammen, maar die werden weggehoond en verscheurd. Of genegeerd. Dus werd ik De Akela, die mijn jongens vertelt wat ze moeten doen. Stap voor stap. In weinig woorden, anders wordt het een brij in hun hoofd. Idealiter rustig en neutraal, ook na drie keer herhalen. Dat lukt vaker niet dan wel, met het onvermijdelijke schuldgevoel na afloop.

Het liefste deed ik het allemaal zelf voor ze – dan gebéurt het tenminste, nog snel en efficiënt ook. En zonder strijd. Maar dat is niet de bedoeling. Ze moeten het zélf leren. Opgroeien tot zelfstandige mannen, die alleen kunnen wonen. Niet in een chalet in de achtertuin.

Dus neemt De Akela het elke ochtend over, tot de verlossende taxi’s voor de deur staan. Ik wéét dat mijn zoons me een vervelende zeur vinden, die dingen tot gek wordens toe herhaalt. Dat vertellen ze me elke dag. En het ergste is: ik vind mezelf óók een vervelende zeur. Ik háát mezelf, als ik De Akela ben. Dan klink ik als mijn moeder.

“Ik bén nou eenmaal zo”, zei mijn moeder altijd, als ik haar probeerde duidelijk te maken wat me stoorde aan haar gedrag. “Ik kán niet anders”. Woest kon ze me daarmee maken. Misschien haat ik De Akela daarom wel zo: ik wéét dat het anders kan, anders móet. Alleen weet ik niet hoe. Wat je niet geleerd hebt, kun je ook niet doorgeven.

Reacties zijn gesloten.