Tamara

“Mis je je moeder niet, als je bij Tamara bent?” vroeg laatst iemand aan mijn jongste zoon. “Nee hoor”, antwoordde die prompt, “want Tamara voelt ook als een moeder”.

Nog niet eens zo lang geleden kwam zo’n opmerking aan als een trap in mijn buik. Het deed me pijn, dat ik blijkbaar vervangbaar was. Dat mijn kinderen, die uit mijn buik waren gekomen, die ik had gezoogd, verschoond, getroost, voorgelezen, gevoerd, gekoesterd, zich net zo lief lieten verzorgen door een andere vrouw. Een vreemde.

Ik vond het moeilijk dat mijn oudste zoon opeens ‘toilet’ begon te zeggen in plaats van ‘wc’, “want dat zegt Tamara ook”.

Ik moest slikken toen hij op zijn zevende stralend thuiskwam met een nerf-pistool, iets waar ik nog helemaal niet aan toe was.

Ik moest huilen toen mijn jongste zoon me vertelde dat hij Tamara “Tamamma” noemde.

Het voelde als verraad van mijn kinderen, en als bewijs van mijn eigen tekortschieten.
Zie je wel: ik kon het dus niet. Ik was een slechte moeder.

Toch had ik deze ‘respijtzorg’ zelf aangevraagd bij de gemeente, na maanden twijfelen. Omdat ik niet meer kón. Omdat ik de lieve, schelle stemmetjes van mijn zoons soms nauwelijks kon verdragen. Omdat ik opzag tegen elk weekend, elke studiedag. Omdat ik na elke schoolvakantie de instorting nabij was.

Hulp vragen valt niet mee. Hulp ontvangen ook niet altijd.

Nog steeds schaam ik me soms, dat ik mijn kinderen twee keer per week naar een andere vrouw stuur, van vrijdag op zaterdag zelfs met logeren erbij. Nog steeds voel ik me weleens schuldig, dat ik het zo heerlijk vind als ze weg zijn. Dat de zaterdagochtend zonder mijn zoons, als ik urenlang in stilte de krant kan lezen, het heerlijkste moment van mijn week is.

Maar ik ben ook blij dat mijn zoons de kans krijgen om zich ergens anders thuis te voelen. Dat ze nu al leren, dat dingen ook anders kunnen dan hoe hun ouders ze doen. Dat het niet uitmaakt of je ‘wc’ zegt of ‘toilet’ – je bedoelt immers hetzelfde?

Soms ben ik bijna jaloers op mijn zoons.

Reacties zijn gesloten.