Boon

Omdat ik hou van tradities, bak ik elk jaar een driekoningenkoek met mijn kinderen. In die koek zit een boon. Wie de boon vindt in zijn stuk koek, is de koning. Die krijgt een kroon op en mag die dag het toetje uitkiezen. Oorspronkelijk is de koning geloof ik ‘de hele dag de baas’, maar dat leek mij geen goed idee.

Kinderen met autisme en verrassingen gaan niet goed samen. Om een hoop gezeur te voorkomen, stopte ik de boon tot voor kort dan ook vaak in het stuk van mijn oudste zoon. Dit jaar vond ik dat niet meer kunnen. Mijn jongste is intussen vier, die heeft alles in de gaten. En bovendien vond ik het zielig als hij geen kans zou maken op de boon. Ik besloot het lot te laten bepalen wie de boon kreeg.

Wat een risico nam ik daarmee! Wat zou er gebeuren als onze oudste de boon niet had? Omgaan met teleurstellingen is, op zijn zachtst gezegd, niet zijn sterkste kant. De kans was dus groot, dat hij een driftbui zou krijgen en overstuur naar school zou moeten. Waarom dan toch in godsnaam die traditie handhaven? Omdat géén driekoningenkoek eten op 6 januari geen optie is voor iemand met autisme. Afspraak is afspraak en een traditie schaf je niet even af. De koek pas ‘s avonds eten, wat mijn man opperde, wilde de oudste ook niet. “Dat hoort niet!” We hadden dus geen keus.

In de gespannen stilte klonken onze kauwgeluiden des te harder aan de schemerige ontbijttafel. Opeens sprong de jongste op. “Ik heb hem!” Triomfantelijk toonde hij ons zijn uitgespuugde hap koek, met daarin onmiskenbaar een gehavende witte boon.

Snel wisselden mijn man en ik een blik. “Hou je vast!”

“Ja hoor, hier was ik al bang voor!” gilde mijn oudste zoon. Mezelf en die stomme traditie vervloekend, probeerde ik te redden wat er te redden viel. “Ik begrijp wat je nu voelt, je bent teleurgesteld, dat is heel normaal”, zalfde ik (“altijd ondertitelen, het gevoel bevestigen, het mag er zijn”). Snikkend wierp mijn zoon zich op de bank. “Het ergste vind ik, dat die sukkel dus gewoon precies het goeie stuk koek heeft uitgekozen”, bracht hij uit. “Hij wel. En ik niet!”

Bliksemsnel voerde ik mijn stralende jongste zoon-met-boon af naar zijn kamer. Daarna wachtte ik, peentjes zwetend, op wat komen ging. Ik bleef in de buurt, maar zei niets (“laat je kind voelen dat je beschikbaar bent, maar dring je niet op. Hij moet eerst kalmeren”). Langzaam werd het gehuil zachter. Ik hoorde een tijdje niets. Daarna het verlossende geluid van een technisch lego- autootje over de houten vloer.

Gek genoeg ben ik altijd weer verbaasd als de tips uit het boekje blijken te werken.

Reacties zijn gesloten.